Mariniertjes
Ze zaten er al toen ik de intercity binnenkwam. Twee blonde jongens van een jaar of achttien, zo schatte ik. Tegenover elkaar, elk met een grote tas naast zich.
“Waar zijn we nu weer?” vroeg nummer één geagiteerd.
“Amsterdam” zuchtte de ander, en hij keek het perron op,
“Ja maar welk Amsterdam? We waren net ook al in Amsterdam!”
“Amsterdam Centraal, kijk al die mensen lopen!”
Hun Brabantse accent was duidelijk hoorbaar. Ik begreep dat het mariniers waren. In opleiding wel te verstaan. Ze mochten dit weekend naar huis. De trein kwam uit Den Helder, ze zaten dus al even. Bij het Amstelstation stapten aardig wat mensen in.
“Ik ga echt niet mijn tas weghalen hoor.”
“Echt niet”
Bij Duivendrecht haalden zij hun tas weg. Op de vrijgekomen plekken gingen een man en een vrouw zitten. De vrouw had een droevig gezicht. Misschien was ze niet droevig, maar haar gezicht stond nu eenmaal zo. De man was een typische forens met een regenjas en een koffertje. De jongens discussieerden over hun dagelijkse bezigheden.
“We hebben echt niks te doen. Ik had net zo goed niet naar de marine hoeven gaan. Als ik bij de landmacht was gebleven, dan had ik ook niks te doen gehad, maar dan wel veel dichterbij.”
“Ja!”
(…)
“Oh man, ik heb koppijn. Van gisteren. Die Apfelkorn was echt heftig. Vanmorgen kwam de korporaal echt al om half zeven. Ik heb de deur dicht geslagen en ben weer gaan slapen. Fuck you. Daar heb ik wel straf voor over.”
De droevige vrouw keek op slag nog droeviger. De man tegenover haar was met zijn eigen dingen bezig. Hij maakte een zak M&M’s open en gooide de inhoud met veel herrie in een speciaal meegenomen diepvriesbakje. Bij elke M&M die hij at rammelde het bakje. De mariniertjes keken hem met minachting aan. Iedereen zweeg, tot de trein bij Breukelen stilstond.
“Ja, waarom staat die trein nou godverdomme weer stil?”
“Ja!”
“Ik wil naar huis verdomme, straks mis ik mijn aansluiting!”
“Ja!”
(trein rijdt weer)
“Ah, hèè. Godverdomme…”
De droevige vrouw zag er nu uit alsof ze voorlopig niet uit deze depressie zou komen. Voor Utrecht stonden we weer stil, ter hoogte van de ateliers aan de Vlampijpstraat.
“Wat is dit nu weer?”
“Dat zijn kúnstenaars.”
“Jezus, wat een teringbende. Kunnen die lui niet gaan werken ofzo?”
“Ja, de fik erin”
“Haha! Ja! De fik erin!”
(vlak voor station)
“Staan we godverdomme weer stil. Nu mis ik mijn aansluiting helemaal! We gaan in Utrecht wel wat eten.”
“Okee”
De mariniertjes liepen naar de dichtstbijzijnde deur. De man in de regenjas stopte zijn M&M’s weg. De vrouw met het droevige hoofd bleef peinzend achter.




